C-sleutels en lezen in alle sleutels
Muziektheorie · De noten en de notenbalk · Niveau 4 · 10 min
Naast de g- en f-sleutel bestaat er een derde familie: de c-sleutels. Het teken, in de vorm van een gestileerde „B” (𝄡), wijst met zijn midden naar één lijn: die lijn is de middelste C.
De twee c-sleutels die nog vaak gebruikt worden
- Altsleutel (c-sleutel op lijn 3): de middelste C staat op de middelste lijn. Het is de sleutel van de altviool en vaak van de viola da gamba.
- Tenorsleutel (c-sleutel op lijn 4): de middelste C staat op lijn 4. Gebruikt door de cello, de fagot en de trombone in hun hoge register, om hulplijnen boven de notenbalk met f-sleutel te vermijden.
Dezelfde melodie in de altsleutel…
M:4/4 L:1/4 K:C clef=alto C D E C | C D E C | E F G2 |]
… en in de tenorsleutel
M:4/4 L:1/4 K:C clef=tenor C D E C | C D E C | E F G2 |]
Dit is het begin van Vader Jacob (Frère Jacques) op dezelfde klinkende hoogte; alleen de plaats op de notenbalk verandert.
De „zeven sleutels” van het Franse solfège
In de Franse conservatoriumopleiding wordt lezen in zeven sleutels gedrild: g-sleutel (G op lijn 2), f-sleutel (F op lijn 4), baritonsleutel (F op lijn 3) en c-sleutels op lijn 1, 2, 3 en 4 (soms ook de „Franse vioolsleutel”, G op lijn 1, uit de 18e eeuw). De sopraansleutel (C op lijn 1) en mezzosopraansleutel (C op lijn 2) werden vroeger gebruikt voor de zangstemmen in partituren van Bach of Mozart.
← Enharmonie: één klank, meerdere namen · Puls, tel en tempo →