Apoyando en tirando: de twee aanslagen
Gitaar · Klassieke techniek · Niveau 3 · 12 min
De klassieke gitaar kent twee manieren om een snaar met de vingers aan te slaan:
- Vrije aanslag (tirando): de vinger tokkelt de snaar en gaat over de naburige snaar heen zonder ze te raken. Dat is de aanslag voor arpeggio’s en akkoorden.
- Rustende aanslag (apoyando): de vinger tokkelt de snaar en komt tot rust op de volgende (lagere) snaar. De klank is voller en zangeriger: dat is de aanslag voor melodieën en toonladders.
Apoyando oefenen
Wissel op de losse 1e snaar i-m af in apoyando: elke vinger landt na het spelen op de 2e snaar. De beweging vertrekt vanuit de knokkel; de hand beweegt niet.
M:4/4 L:1/8 Q:1/4=72 K:C clef=treble-8 e e e e e e e e | B B B B B B B B | e f g f e d c B | c8 |]
Melodie in apoyando, begeleiding in tirando
In een tweestemmig stuk komt de melodie (apoyando, a of m) vanzelf boven de begeleiding (tirando, i en p) uit. Dat is het belangrijkste middel voor klankevenwicht.
De toon komt ook van de nagel: vijl hem rond en polijst hem daarna met heel fijn schuurpapier. Een ruwe nagel geeft een krassende klank.