Speel twee octaven hoger (15ma) of lager (15mb) dan genoteerd, over de lengte van de stippellijn.
1re et 2e fin (volta)
Eerste en tweede volta (eindigingen): genummerde haken boven de laatste maten van een herhaling. De eerste keer speel je eindiging “1.” en herhaal je; de tweede keer sla je die over en speel je eindiging “2.”.
8va (ottava alta)
“8va” boven de noten, gevolgd door een stippellijn: speel een octaaf hoger dan genoteerd zolang de lijn duurt. Zo vermijd je stapels hulplijnen.
8vb (ottava bassa)
“8vb” (of 8va onder de noten): speel een octaaf lager dan genoteerd over de lengte van de stippellijn. “Con 8” of “col 8” betekent dat je het lagere octaaf erbij speelt.
A tempo
Terug naar het oorspronkelijke (of hoofd)tempo na een vertraging, versnelling of vrije passage.
Accelerando
Geleidelijk sneller worden, tot de volgende tempoaanduiding.
Accent
Het teken > boven of onder een noot: speel ze luider dan de noten ernaast, zodat ze opvalt.
Acciaccature
De acciaccatura (korte voorslag): een kleine noot met een streepje door de stok, heel snel gespeeld, “geplet” tegen de hoofdnoot. Afhankelijk van de stijl valt ze net vóór of op de tel.
Accord
Een akkoord: minstens drie verschillende noten die samen klinken. In de klassieke harmonie worden akkoorden gebouwd door tertsen te stapelen boven een noot, de grondtoon.
Accord arpégé
Een gebroken (gearpeggieerd) akkoord: een verticale golflijn vóór een akkoord. Speel de noten snel na elkaar van laag naar hoog in plaats van ze samen aan te slaan.
Accord de septième
Een drieklank met een vierde noot erbij, de septiem boven de grondtoon. Afhankelijk van de intervallen: grote septiem (Cmaj7), kleine septiem (Cm7), dominantseptiem (C7), halfverminderd (Cm7♭5), verminderd septiemakkoord (C°7).
Accord diminué, accord augmenté
Verminderd: twee kleine tertsen (B-D-F), een verminderde kwint, een gespannen klank (symbool B° of Bdim). Overmatig: twee grote tertsen (C-E-Gis), een overmatige kwint, een onstabiele klank (symbool C+ of Caug).
Accord majeur
Een drieklank uit een grote terts (4 halve tonen) en daarboven een kleine terts (3 halve tonen): C-E-G. Een heldere, stabiele klank. Symbool: alleen de letter (C, G).
Accord mineur
Een drieklank uit een kleine terts en daarboven een grote terts: A-C-E. Een donkerdere, meer weemoedige klank. Symbool: letter gevolgd door “m” (Am, Dm).
Accord ouvert
Een open akkoord: een gitaarakkoord dat dicht bij de topkam gespeeld wordt met losse snaren (C, D, E, G, A, e-klein, a-klein…). De eerste akkoorden die gitaristen leren.
Accordage standard
De gebruikelijke gitaarstemming, van laag naar hoog: E, A, D, G, B, E. Naburige snaren liggen een kwart uit elkaar, behalve G-B, een grote terts. De gitaar klinkt een octaaf lager dan genoteerd.
Ad libitum
“Naar believen”: de uitvoerder kiest vrij het tempo van een passage of het spelen van een optioneel deel, of mag improviseren. A piacere betekent ongeveer hetzelfde (naar het genoegen van de uitvoerder).
Adagietto
Iets minder traag dan adagio. Ook de naam van een kort traag stuk (het Adagietto uit de Vijfde symfonie van Mahler).
Adagio
Traag en ontspannen (letterlijk “op je gemak”), iets vloeiender dan largo. Bij uitbreiding is een adagio een traag deel van een sonate of symfonie.
Agitato
“Opgewonden”: onrustig en koortsachtig, vaak met een opdringend tempo.
Allargando
“Verbredend”: vertragen terwijl je het volume behoudt of zelfs vergroot. Vaak vlak voor een hoogtepunt of slot.
Allegretto
Verkleinwoord van allegro: vrij snel en licht, maar minder levendig dan allegro.
Allegro
“Vrolijk”: snel en levendig. Het meest gebruikte tempo voor de eerste en laatste delen van sonates.
Allemande
Een gematigde dans in vierdelige maat, vaak het eerste deel van een barokke suite, die meestal met een korte opmaat begint en in zestiende noten voortvloeit.
Altération
Een toevallig teken: een teken dat de toonhoogte van een noot verandert (kruis, mol, herstellingsteken, dubbelkruis, dubbelmol). Het staat voor een noot en geldt tot het einde van de maat voor die noot in dat octaaf.
Anacrouse
Een opmaat (anacrusis): een of meer noten vóór de eerste sterke tel van een frase, in een onvolledige beginmaat. De slotmaat wordt vaak met hetzelfde ingekort.
Andante
“Gaand”: een gematigd, rustig tempo, als een wandeling zonder haast. Niet traag en niet snel, het moet blijven voortgaan.
Andantino
Verkleinwoord van andante. Tegenwoordig meestal opgevat als iets sneller dan andante, al gebruikten sommige componisten uit de 18e eeuw het voor een iets trager tempo: laat de context beslissen.
Animato
“Geanimeerd”: met meer leven en vaart, vaak iets sneller. Animando = geleidelijk levendiger wordend.
Apoyando, tirando
Twee aanslagtechnieken. Apoyando (rustslag): na de snaar komt de vinger tot rust op de volgende snaar, voor een volle klank die ideaal is voor melodieën. Tirando (vrije slag): de vinger gaat over de volgende snaar heen, onmisbaar in arpeggio's.
Appassionato
“Hartstochtelijk”: met intensiteit en gloed (de “Appassionata”-sonate van Beethoven).
Appoggiature
De appoggiatura (voorslag): een kleine noot vóór een hoofdnoot waarop ze “leunt”. Ze wordt op de tel gespeeld, neemt een deel van de waarde van de hoofdnoot (vaak de helft) en lost daarna op in die noot.
Armure
De voortekening: kruisen of mollen meteen na de sleutel, op elke regel. Ze gelden voor elke noot met die naam, in elk octaaf, tenzij ze opgeheven worden. Ze wijst op de toonsoort (of de parallelle toonsoort).
Arpège
Een arpeggio: de noten van een akkoord na elkaar gespeeld in plaats van samen, stijgend of dalend. Veel gebruikt in begeleidingen en als techniekoefening.
Articulation
Hoe noten met elkaar verbonden of van elkaar gescheiden worden en hoe ze beginnen (legato, staccato, accent…). Samen met de dynamiek is het wat een melodielijn tot leven brengt.
Assai
“Zeer, genoeg”: lees het in de muziek als “zeer” (allegro assai = heel snel; adagio assai = heel traag).
Attacca
“Val aan”: ga zonder onderbreking meteen door naar het volgende deel.
Bagatelle
“Een kleinigheid”: een kort, licht pianostuk. “Für Elise” van Beethoven is een bagatelle (WoO 59).
Ballade
Op piano een groot verhalend stuk, als een verhaal zonder woorden: de vier Ballades van Chopin (in 6/4 of 6/8) zijn het model, gevolgd door Liszt en Brahms. In jazz en pop is een ballad gewoon een traag lied.
Barcarolle
Een lied van een Venetiaanse gondelier: een stuk in 6/8 of 12/8 met een wiegend ritme dat de beweging van de boot oproept (Chopin, Offenbach, Fauré).
Barré
Een barré: de wijsvinger (vinger 1) drukt plat over meerdere snaren op dezelfde fret, als een capo. Volledige barré: zes snaren; halve barré: enkele snaren. Aangeduid met “B” of “C” gevolgd door de fret in Romeinse cijfers (CII, BV).
Barre de mesure
Een maatstreep: een verticale lijn door de notenbalk die de maten scheidt. Een dunne dubbele streep markeert het einde van een sectie; een dubbele streep met een dikke tweede lijn het einde van het stuk.
Barre de reprise
Een herhalingsteken: een dubbele maatstreep met twee punten (:‖). Speel de passage opnieuw vanaf het bijbehorende beginteken (‖:) of, als er geen is, vanaf het begin. Herhaal maar één keer, tenzij anders aangegeven.
Basse continue
Een barokke praktijk (ca. 1600–1750): een baslijn, vaak becijferd, waarboven een klavier- of luitspeler de akkoorden improviseert, soms met een laag instrument dat de bas verdubbelt.
Basse d'Alberti
Een begeleiding van gebroken akkoorden volgens het patroon laag-hoog-midden-hoog (C-G-E-G), genoemd naar Domenico Alberti (18e eeuw). Overal te vinden bij Mozart en in klassieke sonatines.
Bécarre
Het herstellingsteken (♮) heft een kruis of mol op (uit de voortekening of van een eerder toevallig teken): de noot keert terug naar haar gewone toonhoogte.
Bémol
De mol (♭) verlaagt een noot met een halve toon. Op de piano is Bes de zwarte toets meteen links van B.
Bend (tiré)
De snaar zijwaarts duwen of trekken om de toonhoogte te verhogen met een halve toon (½), een hele toon (full) of meer. Een typisch expressief effect in blues en rock.
Berceuse
Een wiegelied: een zacht stuk dat het wiegen van een wieg nabootst, vaak in samengestelde maat (6/8) met een herhaalde begeleiding (Chopin, Brahms, Fauré).
Blanche
De halve noot: een open nootkop met een stok. De helft van een hele noot, dus 2 kwartnoten (2 tellen in 4/4).
Blues en 12 mesures
De vorm van 12 maten achter blues, jazz en rock: I-I-I-I / IV-IV-I-I / V-IV-I-I (de laatste maat gaat vaak naar V om opnieuw te beginnen). De akkoorden zijn vaak dominantseptiemakkoorden, met swing gespeeld.
Brillante
“Briljant”: sprankelend en virtuoos, met een heldere klank en schitterende loopjes.
C et C barré (alla breve)
De C staat voor 4/4 (in het Engels “common time”). De doorgestreepte C (alla breve) betekent 2/2: twee tellen van een halve noot, dus een puls die half zo dicht is. De C komt uit de middeleeuwse notatie; het is niet echt de beginletter van “common”.
Cadence
Een cadens: een akkoordopeenvolging die het einde van een frase markeert, zoals een komma of een punt. De belangrijkste zijn de volkomen (authentieke), plagale, bedrieglijke en halve cadens.
Cadence parfaite
Dominant naar tonica (V-I) met beide akkoorden in grondligging: het meest afsluitende “punt”. In het Nederlands heet dit een volkomen (of authentieke) cadens; staat een akkoord in omkering, dan spreekt men van een onvolkomen cadens.
Cadence plagale
Subdominant naar tonica (IV-I), zachter dan de volkomen cadens. Ook “amen-cadens” genoemd, omdat ze dat woord vaak aan het einde van kerkliederen ondersteunt.
Cadence rompue
De dominant (V) lost op naar akkoord VI in plaats van naar de tonica (G7 → a-klein in C-groot): het oor verwacht een slot dat niet komt, dus de muziek gaat verder. Ook bedrieglijke of onderbroken cadens genoemd.
Cadenza
Een vrije, virtuoze passage buiten de tel, vaak in kleine noten gedrukt, waarin de solist alleen schittert (vooral in concerto's). Niet te verwarren met een harmonische cadens.
Calando
“Wegzakkend”: tegelijk vertragen en zachter worden.
Canon
Strikte imitatie: dezelfde melodie wordt door een tweede stem (en daarna andere) overgenomen die enkele tellen later begint, soms op een ander interval (“Vader Jacob”, de Canon van Pachelbel).
Cantabile
“Zingend”: laat de melodie zingen als een stem, vloeiend verbonden en boven de begeleiding uit.
Capodastre (capo)
Een klem over de hals die werkt als een verplaatsbare topkam: “capo 3” verhoogt elke snaar met drie halve tonen. Dezelfde akkoordvormen klinken dan in een andere toonsoort.
Case (frette)
Frets zijn de metalen staafjes op de hals; in het Nederlands noemen we ook het vakje tussen twee staafjes een fret (in het Frans heet dat vakje “case”). Druk je bij fret n, dan verkort je de snaar en gaat de noot n halve tonen omhoog. Druk net achter het fretstaafje.
Césure
Twee korte schuine streepjes (//), in het Engels ook “railroad tracks” genoemd: een korte onderbreking van de klank, een stilte buiten de tel, voordat je verdergaat. Eén komma (ʼ) duidt alleen een ademhaling aan.
Chiffrage de mesure
De maatsoort: twee getallen boven elkaar aan het begin. In een enkelvoudige maatsoort geeft het bovenste getal het aantal tellen en het onderste de nootwaarde van één tel (4 = kwartnoot, 2 = halve noot, 8 = achtste noot): 3/4 = drie kwartnoten. In een samengestelde maatsoort (6/8, 9/8, 12/8) telt het bovenste getal achtste noten in groepjes van drie: 6/8 = twee tellen van een gepunteerde kwartnoot.
Choral
Een lutherse gemeentezang in gelijke nootwaarden, vierstemmig geharmoniseerd. De honderden koraalharmonisaties van Bach zijn nog altijd het model om harmonie te leren.
Clé
De sleutel: een teken aan het begin van de notenbalk dat de nootnamen vastlegt door aan één lijn een bepaalde toonhoogte toe te kennen. De drie gangbare sleutels zijn de g-sleutel (vioolsleutel), de f-sleutel (bassleutel) en de c-sleutel.
Clé d'ut
De c-sleutel: zijn midden duidt de lijn van de middelste C aan (“ut” is de oude naam van C). Op de 3e lijn is het de altsleutel; op de 4e de tenorsleutel. Zeldzaam voor piano, maar te vinden in oude uitgaven.
Clé de fa
De f-sleutel of bassleutel: zijn twee punten staan aan weerszijden van de 4e lijn, waardoor die lijn de F onder de middelste C wordt. Gebruikt voor lage noten, meestal de linkerhand op piano.
Clé de sol
De g-sleutel of vioolsleutel: zijn krul draait rond de 2e lijn, waardoor die lijn de G boven de middelste C wordt. Gebruikt voor de rechterhand op piano en voor gitaar (die een octaaf lager klinkt dan genoteerd).
Coda
“Staart”: de slotsectie van een stuk. Het teken 𝄌 (een cirkel met een kruis) duidt de sprong aan: na een D.C. of D.S. spring je van “to coda” meteen naar de coda. Een codetta is een korte coda.
Comodo
“Gemakkelijk”: in een comfortabel tempo, zonder haast. Vaak toegevoegd aan een andere aanduiding (allegro comodo).
Con / Col
“Met”: con brio = met vuur; con pedale = met pedaal; colla voce = de stem volgend.
Con anima
“Met ziel”: met warmte en overgave, zodat de frase vaart krijgt.
Con brio
“Met vuur”: energiek en briljant (het Allegro con brio van de Vijfde symfonie van Beethoven).
Con fuoco
“Met vuur”: vurig, hartstochtelijk en energiek.
Con moto
“Met beweging”: iets vloeiender dan het aangegeven tempo, nooit slepend (andante con moto).
Consonance, dissonance
Een consonant klinkt stabiel en rustig (octaaf, kwint, tertsen, sexten); een dissonant zorgt voor spanning die om een oplossing vraagt (secunden, septiemen, tritonus). De beleving verschilt per stijl en periode.
Contrepoint
Contrapunt: de kunst om meerdere onafhankelijke melodielijnen te combineren die samen goed klinken. Harmonie denkt in akkoorden (verticaal); contrapunt denkt in stemmen (horizontaal).
Contretemps
Een tegentijd: een noot die op een zwak deel van de tel wordt aangeslagen terwijl op het sterke deel een rust staat. Anders dan bij een syncope wordt de noot niet over de sterke tel aangehouden.
Courante
Een dans in driedelige maat in de barokke suite. De Franse courante, in 3/2, is vrij afgemeten, met hemiolen; de Italiaanse corrente, in 3/4 of 3/8, is snel en lopend.
Crescendo
Geleidelijk luider worden. Genoteerd als “cresc.” of als een openende vork (<).
Croche
De achtste noot: een gevulde noot met één vlag, de helft van een kwartnoot. Meerdere achtste noten worden vaak met een waardestreep verbonden.
Croisement des mains
Handen kruisen: de ene hand gaat over de andere om in haar register te spelen (Scarlatti, Liszt). De kruisende hand gaat meestal over de andere heen.
Cycle des quintes
De kwintencirkel rangschikt de twaalf toonsoorten op een kwint van elkaar. Een kwint omhoog (C, G, D, A…) voegt een kruis toe aan de voortekening; omlaag (C, F, Bes, Es…) een mol. Toonsoorten die naast elkaar liggen op de cirkel, zijn nauw verwant.
D.C. al fine
Ga terug naar het begin en speel tot het woord “Fine”, waar het stuk eindigt. Typisch voor menuetten met trio (A-B-A-vorm).
Da capo (D.C.)
“Vanaf het hoofd”: ga terug naar het begin van het stuk. Interne herhalingen worden onderweg meestal niet opnieuw gespeeld, tenzij aangegeven.
Dal segno (D.S.)
“Vanaf het teken”: ga terug naar het teken 𝄋 (segno) en speel van daar verder. D.S. al fine: tot “Fine”; D.S. al coda: tot de sprong naar de coda.
Decrescendo
Geleidelijk zachter worden. Genoteerd als “decresc.” of als een sluitende vork (>).
Degrés
De plaats van een noot in de toonladder, genoteerd in Romeinse cijfers (I tot VII), ook gebruikt om het akkoord te benoemen dat erop gebouwd is. Namen: I tonica, II supertonica, III mediant, IV subdominant, V dominant, VI submediant, VII leidtoon.
Delicato
“Delicaat”: een fijne, lichte aanslag en een verfijnde klank.
Demi-cadence
Een frase die stopt op het dominantakkoord (V): een zwevend effect, als een komma of een vraag, dat om meer vraagt. Ook halve cadens (of halfslot) genoemd.
Demi-pause
De halve rust: een blokje dat op de 3e lijn ligt, gelijk aan een halve noot.
Demi-soupir
De achtste rust: als een kleine 7 met een punt, gelijk aan een achtste noot. De zestiende rust (twee vlaggetjes) is gelijk aan een zestiende noot.
Demi-ton, ton
De halve toon is het kleinste interval op het toetsenbord: twee naburige toetsen (E-F, B-C, C-Cis). Een hele toon is twee halve tonen (C-D).
Dièse
Het kruis (♯) verhoogt een noot met een halve toon. Op de piano is Fis de zwarte toets meteen rechts van F; Eis wordt gespeeld op de witte toets F.
Diminuendo
Zachter worden: een synoniem van decrescendo. Sommige componisten bedoelen er ook een lichte vertraging of uitsterven mee.
Doigté
Vingerzetting: de keuze van de vinger voor elke noot, aangeduid met cijfers boven of onder de noten. Op piano: 1 = duim, 2 = wijsvinger, 3 = middelvinger, 4 = ringvinger, 5 = pink, voor beide handen. Een goede vingerzetting maakt een passage zekerder en vloeiender.
Doigts de la main gauche (guitare)
Op gitaar worden de vingers van de grijphand genummerd 1 (wijsvinger), 2 (middelvinger), 3 (ringvinger), 4 (pink); 0 betekent een losse snaar. Let op: op piano is 1 de duim.
Dolce
“Zoet”: een warme, zachte klank, meestal piano.
Dominante
De vijfde trap van de toonladder (G in C-groot). Het dominantakkoord (V), dat de leidtoon bevat, zorgt voor spanning die terugtrekt naar de tonica.
Double bémol
De dubbelmol (𝄫) verlaagt een noot met een hele toon (twee halve tonen). Beses wordt gespeeld op de toets A.
Double croche
De zestiende noot: twee vlaggen (of twee waardestrepen), de helft van een achtste: vier zestiende noten per kwartnoot.
Double dièse
Het dubbelkruis (𝄪, een kleine x) verhoogt een noot met een hele toon (twee halve tonen). Fisis wordt gespeeld op de toets G.
Drop D
Een stemming waarbij de 6e snaar een hele toon lager gestemd wordt, van E naar D (D A D G B E). Ze geeft een diepere bas en maakt powerchords in D makkelijk.
Energico
“Energiek”: krachtig, sterk en vastberaden.
Enharmonie
Enharmonische noten hebben een verschillende naam maar dezelfde klank op de piano, zoals Cis en Des. Welke naam je gebruikt, hangt af van de toonsoort en de functie van de noot.
Espressivo
“Expressief”: speel met gevoel, geef dynamiek en frasering zorgvuldig vorm, vaak met een beetje rubato.
Étouffoir
Een demper: een klein viltje dat op de snaren rust en ze stopt met trillen wanneer de toets omhoogkomt. Het rechterpedaal heft ze allemaal op.
Étude
Een etude: een stuk dat ontworpen is om aan één technisch probleem te werken (toonladders, octaven, arpeggio's…). Chopin en Liszt maakten er echte concertwerken van; Czerny en Burgmüller schreven ze voor elk niveau.
Fantaisie
Een stuk in vrije vorm dat de verbeelding van de componist volgt, als een improvisatie, met wisselingen van tempo en stemming (de Fantasie in d-klein van Mozart, de Fantaisie-Impromptu van Chopin).
Fine
“Einde”: waar het stuk stopt na een terugkeer met D.C. of D.S. (“al fine” = tot het einde). De eerste keer negeer je het.
Forme binaire, forme ternaire
Basisopbouw van een stuk. Tweedelig (AB): twee delen, vaak elk herhaald, waarbij het eerste naar de dominant gaat en het tweede terugkeert naar huis (barokke dansen). Driedelig (ABA): een sectie, een contrast en dan de terugkeer van de eerste (menuet-trio-menuet, nocturnes).
Forme sonate
Een plan in drie delen. Expositie: een eerste thema in de tonica, dan een tweede in een andere toonsoort (de dominant, of de parallelle majeurtoonsoort in mineur). Doorwerking: de thema's worden opgebroken en moduleren. Reprise: beide thema's keren terug, nu in de hoofdtoonsoort.
Forte (f)
Luid. De klank moet vol en rond zijn, niet hard: gebruik het gewicht van je arm in plaats van met de vingers te slaan.
Fortepiano (fp)
Luid aanslaan en meteen terugvallen naar zacht. (Het woord is ook de naam van de vroege piano.)
Fortissimo (ff)
Heel luid.
Fortississimo (fff)
Uiterst luid, de volle kracht van het instrument (soms staat er ffff).
Fugue
Een contrapuntisch stuk voor meerdere stemmen, gebouwd op een thema, het subject. Elke stem brengt het om beurten (expositie), waarbij de tweede inzet (het antwoord) naar de dominant getransponeerd wordt; daarna volgen tussenspelen en nieuwe inzetten, soms in stretto. Bach is het hoogtepunt van deze vorm.
Gamme
Een toonladder: een reeks noten die stapsgewijs een octaaf doorloopt, bepaald door haar patroon van hele en halve tonen. Ze levert het materiaal van een toonsoort of modus.
Gamme blues
De mineurpentatoniek met een toegevoegde verlaagde kwint, de “blue note”: in C is dat C Es F Fis G Bes. De basis van improvisatie in blues en rock.
Gamme chromatique
De chromatische toonladder: stijgt of daalt in halve tonen door alle twaalf noten van het octaaf (elke toets, wit en zwart).
Gamme majeure
De majeurtoonladder: zeven noten volgens het patroon hele toon, hele toon, halve toon, hele toon, hele toon, hele toon, halve toon (C-groot: de witte toetsen van C tot C). Ze klinkt helder.
Gamme mineure
Een toonladder met een kleine terts. Drie vormen: natuurlijk (hele toon, halve toon, hele toon, hele toon, halve toon, hele toon, hele toon: a-klein = de witte toetsen van A tot A), harmonisch (verhoogde 7e trap, wat een leidtoon geeft) en melodisch (verhoogde 6e en 7e trap stijgend, natuurlijk dalend, in klassiek gebruik).
Gamme pentatonique
Een toonladder van vijf noten zonder halve tonen. De majeurpentatoniek gebruikt de trappen 1-2-3-5-6 (C D E G A); de vijf zwarte toetsen van de piano vormen er een. Veel gebruikt in volksmuziek, blues en rock.
Gavotte
Een Franse dans in tweedelige maat (2/2), in een gematigd tempo, die halverwege de maat begint met een opmaat van twee kwartnoten.
Gigue
Een snelle, springerige dans in samengestelde maat (6/8, 12/8) die meestal de barokke suite afsluit; de stemmen komen vaak in imitatie in.
Giocoso
“Speels, vrolijk”: opgewekt en levendig.
Glissando (slide)
Een glijden van de ene noot naar de andere. Op gitaar glijdt de vinger langs de snaar zonder ze los te laten (aangeduid met een schuine lijn). Op piano veeg je over de toetsen met een nagel of de rug van de vingers.
Grave
Heel traag en plechtig, met een zwaar, ernstig karakter. Vaak te vinden in trage inleidingen (de “Pathétique”-sonate van Beethoven).
Grazioso
“Gracieus”: elegant en licht, nooit zwaar.
Gruppetto
De dubbelslag: een versiering in de vorm van een liggende S (∽) die rond de noot draait: bovenste noot, hoofdnoot, onderste noot, hoofdnoot. Tussen twee noten geplaatst, wordt hij na de eerste gespeeld.
Hammer-on
Een vinger van de grijphand hamert op een klinkende snaar om een hogere noot te laten horen zonder opnieuw aan te slaan. Aangeduid met “H” of een stijgende boog.
Harmonique
Een klokachtige klank die je krijgt door de snaar licht aan te raken, zonder in te drukken, precies boven een bepaalde fret, en dan aan te slaan. Natuurlijke flageoletten: fret 12 (octaaf), fret 7 (octaaf + kwint), fret 5 (twee octaven). Genoteerd met ruitvormige nootkoppen.
Hémiole
Hemiool: twee maten driedelige maat die aanvoelen als drie maten tweedelige maat (of omgekeerd). Heel gewoon bij barokke cadensen, in menuetten en walsen.
Impromptu
Een karakterstuk voor piano dat geïmproviseerd aanvoelt, vaak in driedelige vorm (Schubert, Chopin).
Intervalle
De afstand tussen twee noten, benoemd naar het aantal toontrappen dat hij omvat (secunde, terts, kwart, kwint, sext, septiem, octaaf) en nader bepaald als groot, klein, rein, overmatig of verminderd volgens het aantal halve tonen.
Invention
Een kort contrapuntisch stuk dat een motief tussen de stemmen ontwikkelt. De 15 tweestemmige Inventies van Bach (en de 15 driestemmige Sinfonia's) werden geschreven om onafhankelijk stemmenspel en een “zingende” aanslag op het klavier aan te leren.
L'istesso tempo
“Hetzelfde tempo”: de tel blijft gelijk ondanks een wisseling van maatsoort (bijvoorbeeld: de kwartnoot in 2/4 wordt de gepunteerde kwartnoot in 6/8).
Lamentoso
“Klagend”: droevig en rouwend, als een klaagzang. Doloroso en dolente liggen dicht in betekenis.
Larghetto
Verkleinwoord van largo: traag, maar iets minder traag dan largo.
Larghissimo
Overtreffende trap van largo: het traagste van alle tempi, zelden gebruikt, rond 24 BPM of minder.
Largo
Heel traag en breed (letterlijk “breed”). De klank moet vol en zangerig blijven ondanks het trage tempo.
Legato
“Gebonden”: verbind de noten zonder onderbreking, elke noot begint precies wanneer de vorige eindigt. Vaak aangegeven met een legatoboog.
Leggiero
“Licht”: een lichte, delicate aanslag, vaak een beetje los, met weinig armgewicht.
Lento
Traag. Dicht bij largo, maar met een gevoel van rust eerder dan van breedte.
Liaison de phrasé
Een legatoboog: een boog boven noten van verschillende toonhoogte. Speel ze legato, als één gebaar; de laatste noot wordt vaak iets lichter gemaakt.
Liaison de prolongation
Een overbindingsboog: een boog die twee noten van dezelfde toonhoogte verbindt. Speel alleen de eerste en houd ze aan voor de twee waarden samen. Zo kan een noot over een maatstreep heen klinken.
Ligne supplémentaire
Een hulplijn: een korte lijn boven of onder de notenbalk voor noten buiten de vijf lijnen. De middelste C staat in de g-sleutel op de eerste hulplijn eronder.
Loco
“Op zijn plaats”: terug naar de genoteerde toonhoogte na een octaafteken (8va, 8vb).
Ma non troppo
“Maar niet te veel”: zelfde betekenis als non troppo (adagio ma non troppo = traag, maar niet te traag). Ma non tanto is gelijkwaardig.
Maestoso
“Majestueus”: groots, edel en kalm, nooit gehaast.
Main droite (m.d.)
Duidt een noot of passage voor de rechterhand aan. “m.d.” staat zowel voor main droite (Frans) als mano destra (Italiaans); in het Nederlands schrijf je “r.h.” (rechterhand).
Main gauche (m.g.)
Duidt een noot of passage voor de linkerhand aan: “m.g.” in het Frans, “m.s.” (mano sinistra) in het Italiaans, “l.h.” in het Nederlands en Engels. Handig wanneer een hand noten speelt die op de notenbalk van de andere staan.
Marcato
“Gemarkeerd”: een sterker, scherper accent dan het gewone accent, genoteerd als een dakje (^). Uitgeschreven in woorden vraagt marcato dat elke noot van een passage duidelijk benadrukt wordt.
Marche
Een stuk in twee- of vierdelige maat met een regelmatig, duidelijk ritme, gemaakt om op te marcheren, vaak met een trio in het midden. Alla marcia = in marsstijl.
Martellato
“Gehamerd”: noten krachtig en gescheiden aangeslagen, als hamerslagen.
Mazurka
Een Poolse volksdans in driedelige maat, met het accent vaak op tel 2 of 3 en gepunteerde ritmes. Chopin schreef er bijna zestig.
Médiator
Een plectrum: een plaatje, meestal van plastic, tussen duim en wijsvinger gehouden om de snaren aan te slaan of te tokkelen. Hoe dikker, hoe steviger de aanslag.
Meno
“Minder”: meno forte = minder luid; meno mosso = trager.
Meno mosso
“Minder bewogen”: iets trager, meteen, vanaf dit punt.
Menuet
Een Franse dans in driedelige maat, gematigd en elegant, in de mode in de 17e en 18e eeuw. Vaak gevolgd door een trio en dan herhaald (menuet-trio-menuet); het gebruikelijke derde deel van een klassieke symfonie.
Mesure
Een maat: het stuk muziek tussen twee maatstrepen, met een vast aantal tellen dat door de maatsoort bepaald wordt. De eerste tel is meestal de sterkste.
Mesure composée
Samengestelde maatsoort: elke tel is een gepunteerde waarde die zich in drie deelt (een gepunteerde kwartnoot = drie achtste noten). Voorbeelden: 6/8 (2 tellen), 9/8 (3 tellen), 12/8 (4 tellen).
Mesure simple
Enkelvoudige maatsoort: elke tel deelt zich vanzelf in twee (een kwartnoot = twee achtste noten). Voorbeelden: 2/4, 3/4, 4/4, 2/2.
Métronome
Een toestel dat de tel tikt op een instelbare snelheid in BPM. Een aanduiding als “♩ = 96” of “M.M. ♩ = 96” (metronoom van Maelzel) vraagt 96 kwartnoten per minuut.
Mezza voce
“Halve stem”: een ingehouden klank, zacht maar zingend, tussen piano en mezzoforte.
Mezzo forte (mf)
Matig luid: iets zachter dan forte. Vaak het “standaard”-niveau van een passage.
Mezzo piano (mp)
Matig zacht: iets luider dan piano.
Misterioso
“Mysterieus”: een gesluierde, raadselachtige sfeer, vaak pianissimo.
Mode
Een manier om de hele en halve tonen van een toonladder te ordenen. De zeven kerktoonladders kun je op de witte toetsen spelen door op elke noot te beginnen: Ionisch (C, = majeur), Dorisch (D), Frygisch (E), Lydisch (F), Mixolydisch (G), Aeolisch (A, = natuurlijk mineur), Locrisch (B).
Moderato
Gematigd: een middelmatig tempo tussen andante en allegro. Ook gebruikt als toevoeging (allegro moderato = een ingehouden allegro).
Modulation
Binnen een stuk van de ene toonsoort naar de andere gaan, vaak via een akkoord dat beide toonsoorten gemeen hebben (een spilakkoord). Het zorgt voor contrast en een gevoel van reis.
Molto
“Veel, zeer”: versterkt de aanduiding ernaast (molto allegro = heel snel; molto rit. = sterk vertragen).
Mordant
De mordent: een snelle versiering van noot, buurnoot, noot. Het zigzagje met een verticale streep gebruikt de onderste buurnoot; zonder streep (bovenmordent of pralltriller) de bovenste. Het gebruik verschilt per periode en uitgave.
Morendo
“Wegstervend”: de klank sterft beetje bij beetje weg, vaak met een lichte vertraging, aan het einde van een frase of stuk.
Mosso
“Bewogen, geanimeerd”. Meestal te vinden in più mosso, meno mosso of andante mosso (een vloeiend andante).
Motif
Een motief: een korte, herkenbare melodische of ritmische cel die de componist herhaalt, transformeert en ontwikkelt (de vier openingsnoten van de Vijfde van Beethoven). Een thema is een langere gedachte, vaak een hele frase.
Mouvement
Een deel: een op zichzelf staand onderdeel van een groter werk (sonate, symfonie, suite) met een eigen tempo en karakter. In het Frans betekent “mouvement” ook het tempo zelf.
Niente (al niente)
“Niets”: een diminuendo al niente sterft uit tot stilte; een crescendo dal niente begint vanuit stilte. Soms aangeduid met een kleine “n” of een cirkeltje aan de punt van de vork.
Nocturne
Een “nachtstuk”: een dromerig werk waarin een zingende melodie zich ontvouwt boven brede arpeggio's in de linkerhand. Voor piano bedacht door John Field en door Chopin tot een hoogtepunt gebracht.
Noire
De kwartnoot: een gevulde nootkop met een stok en zonder vlag. Gelijk aan 2 achtste noten; het is de tel in 2/4, 3/4 en 4/4.
Noms des notes
Nootnamen: in het Nederlands, zoals in het Engels, gebruiken we de letters C D E F G A B. Het Frans, Italiaans en Spaans gebruiken do (of ut), re, mi, fa, sol, la, si. In Duitsland en Midden-Europa heet de B “H”, en staat “B” voor onze Bes.
Non legato
Noten een beetje van elkaar gescheiden, zonder zo kort te zijn als staccato. Vaak de standaardaanslag in barokke klaviermuziek.
Non troppo
“Niet te veel”: tempert de aanduiding (allegro non troppo = snel, maar niet overdreven).
Nuance
Dynamiek: de sterkte van de klank, van heel zacht tot heel luid. Genoteerd met Italiaanse letters (p, mf, f…) en tekens voor crescendo of diminuendo. Dynamiek is relatief: een f bij Mozart is geen f bij Rachmaninov.
Numéros des cordes
De snaren zijn genummerd van de hoogste (1, hoge E) tot de laagste (6, lage E). In bladmuziek zegt een omcirkeld cijfer (③) op welke snaar je de noot speelt.
Octave
Het interval van acht toontrappen (twaalf halve tonen) tussen twee noten met dezelfde naam, bijvoorbeeld twee naburige C's. De bovenste noot trilt precies twee keer zo snel, vandaar dat ze zo op elkaar lijken.
Opus (op.)
“Werk”: het nummer van een compositie in de catalogus van een componist (op. 27 nr. 2 = 2e stuk uit reeks 27). Sommige componisten hebben een eigen catalogus: BWV voor Bach, KV (of K.) voor Mozart, WoO voor de werken van Beethoven zonder opusnummer.
Ornement
Versieringen: decoratieve noten die aan een melodie worden toegevoegd, aangeduid met verkorte tekens (triller, mordent, dubbelslag, voorslag) in plaats van uitgeschreven. Hoe je ze speelt, hangt af van stijl en periode.
Ossia
“Of anders”: een alternatieve versie van een passage, vaak makkelijker, in kleine noten gedrukt op een extra notenbalk erboven.
p-i-m-a (main droite)
Letters voor de vingers van de aanslaghand, uit het Spaans: p = pulgar (duim), i = índice (wijsvinger), m = medio (middelvinger), a = anular (ringvinger). De duim speelt meestal de bassnaren (4 tot 6) en i-m-a de hoge snaren, zoals in een p-i-m-a-arpeggio.
Palm mute
De zijkant van de aanslaghand rust op de snaren vlak bij de brug om ze gedeeltelijk te dempen, wat een korte, doffe, percussieve klank geeft. Aangeduid met “P.M.” gevolgd door een stippellijn.
Passage du pouce
Duim onderdoor: de beweging waarmee je een toonladder zonder onderbreking speelt. De duim glijdt onder de hand door (bijvoorbeeld na de 3e of 4e vinger), of de hand kruist in de andere richting over de duim.
Pause
De hele rust: een blokje dat onder de 4e lijn hangt, gelijk aan een hele noot. Ze duidt ook een volledige maat stilte aan, in elke maatsoort. (In het Frans heet deze rust “pause”; in het Brits-Engels betekent “pause” een fermate.)
Ped. et ✱
Tekens voor het rechterpedaal onder de notenbalk: “Ped.” (of 𝆮) = indrukken, het sterretje ✱ = loslaten. Moderne uitgaven gebruiken ook een horizontale lijn waarvan de haakjes of inkepingen (∧) aangeven waar je loslaat en opnieuw indrukt.
Pédale (harmonique)
Een orgelpunt: een noot die aangehouden of herhaald wordt (vaak in de bas) terwijl de akkoorden erboven veranderen; tonica- of dominantorgelpunt, afhankelijk van de noot. Niet te verwarren met de pedalen van de piano.
Pédale de résonance (forte)
Het rechterpedaal (sustainpedaal of demperpedaal). Het heft alle dempers op, zodat de snaren blijven klinken nadat je de toetsen loslaat, wat de klank verlengt en verrijkt. Wissel het bij elke nieuwe harmonie, zodat akkoorden niet in elkaar overlopen.
Pédale syncopée (pédale legato)
De basistechniek: speel het nieuwe akkoord en laat dan meteen na de aanslag het pedaal los en druk het opnieuw in. De klank blijft verbonden zonder dat het vorige akkoord erdoorheen klinkt.
Pédale tonale (sostenuto)
Het middelste pedaal op vleugels: het houdt alleen de noten aan die al ingedrukt zijn op het moment dat je het indrukt; later gespeelde noten blijven onaangeroerd. Op veel piano's is het middelste pedaal in plaats daarvan een oefendemper.
Perdendosi
“Zich verliezend”: de klank vervaagt tot hij verdwijnt.
Pesante
“Zwaar”: gewichtig en nadrukkelijk, elke noot met gewicht.
Phrase
Een muzikale eenheid die een volledige gedachte vormt, zoals een gesproken zin, vaak 4 of 8 maten lang en afgesloten met een cadens. Frasering is hoe je ze vormgeeft: ademhaling, hoogtepunt, ontspanning.
Pianissimo (pp)
Heel zacht. Druk op de piano de toetsen langzaam in, van dicht bij het oppervlak, en houd de klank helder.
Pianississimo (ppp)
Uiterst zacht, op de grens van het hoorbare. Soms staat er pppp, nog zachter.
Piano (p)
Zacht. Daar komt de naam van het instrument vandaan: het pianoforte kon “zacht en luid” spelen, afhankelijk van hoe hard de toets werd aangeslagen.
Picking
Snaren afzonderlijk aanslaan. Bij fingerpicking (Travis picking) speelt de duim afwisselend basnoten terwijl de andere vingers melodie of arpeggio's spelen; met een plectrum wissel je bij alternate picking neer- en opslagen af.
Più
“Meer”: più forte = luider; più lento = trager; più mosso = sneller.
Più mosso
“Meer bewogen”: iets sneller, meteen, vanaf dit punt.
Poco
“Een beetje”: verzacht de aanduiding ernaast (poco rit. = een beetje vertragen; poco più mosso = een beetje sneller).
Poco a poco
“Beetje bij beetje”: de aangegeven verandering (crescendo, accelerando…) gebeurt heel geleidelijk, over een lang stuk.
Point (note pointée)
Een punt na een noot of rust voegt de helft van haar waarde toe. Gepunteerde halve noot = 3 kwartnoten; gepunteerde kwartnoot = 3 achtste noten. Een dubbele punt voegt daar nog een kwart van de waarde aan toe.
Point d'orgue (fermata)
Een boogje met een punt (𝄐) boven een noot of rust: houd ze langer aan dan haar geschreven waarde, zo lang als je smaak ingeeft, en ga dan verder. In het Nederlands heet dit teken een fermate.
Polonaise
Een Poolse dans in driedelige maat, statig en processieachtig, herkenbaar aan zijn typische ritme (achtste, twee zestienden, dan achtsten). Chopin maakte er een heroïsch symbool van Polen van.
Polyrythmie
Polyritme: twee verschillende onderverdelingen van dezelfde tijdsduur tegelijk gespeeld, bv. 3 tegen 2 (een triool in de ene hand, twee achtste noten in de andere).
Portato (louré)
Tussen legato en staccato: noten nauwelijks gescheiden, elk zacht aangezet. Genoteerd als punten (of streepjes) onder een legatoboog.
Portée
De notenbalk: vijf horizontale lijnen en de vier tussenruimten, waarop de noten geschreven worden. Hoe hoger een noot staat, hoe hoger ze klinkt. De lijnen worden van onder naar boven geteld.
Power chord (accord de quinte)
Een akkoord van twee noten, grondtoon en kwint (vaak met het octaaf erbij), zonder terts: dus majeur noch mineur. Genoteerd met een “5” (E5, A5). Een vaste waarde in de rock, vooral met distortion.
Prélude
Oorspronkelijk een inleidend stuk vóór een fuga of suite (Das wohltemperierte Klavier van Bach). Vanaf Chopin ook een kort zelfstandig stuk, gebouwd op één idee of stemming (Chopin, Debussy, Rachmaninov).
Prestissimo
Overtreffende trap van presto: zo snel mogelijk, terwijl het zuiver blijft.
Presto
Heel snel. Vraagt lichte vingers en een heel stabiele puls.
Progression II-V-I
De akkoorden op de trappen II, V en I (in C: Dm7-G7-Cmaj7). Het meest voorkomende akkoordenschema in de jazz, aangedreven door de bas die in kwinten beweegt.
Pull-off
De vinger van de grijphand verlaat de snaar met een licht tokkeltje, waardoor de lagere noot klinkt (een lagere fret of de losse snaar) zonder opnieuw aan te slaan. Aangeduid met “P” of een dalende boog.
Pulsation
De puls of tel: de regelmatige onderliggende slag van de muziek, die waarop je met je voet tikt. Elke slag is een tel; het tempo bepaalt de snelheid.
Quasi
“Bijna, als het ware”: quasi niente = bijna niets; quasi una fantasia = op de manier van een fantasie.
Ragtime
Een Afro-Amerikaanse pianostijl (ca. 1895–1920): een gesyncopeerde melodie in de rechterhand boven een regelmatige “hoem-pa” in de linkerhand (basnoten op de tellen, akkoorden ertussen). Scott Joplin, de meester van de stijl, waarschuwde ervoor hem niet te snel te spelen.
Rallentando
Geleidelijk vertragen; in de praktijk een synoniem van ritardando.
Rasgueado
Een flamencotechniek op gitaar: de vingers, ingekruld in de handpalm, schieten een voor een uit om over de snaren te vegen, wat een snelle, percussieve roffel geeft.
Renversement
Een omkering: een akkoord waarvan de laagste noot niet de grondtoon is. 1e omkering: de terts in de bas (E-G-C); 2e omkering: de kwint in de bas (G-C-E). Septiemakkoorden hebben ook een 3e omkering.
Rhapsodie
Een stuk in vrije vorm, meestal in één deel, episch of hartstochtelijk van karakter, dat contrasterende episodes aan elkaar rijgt, soms op volksmelodieën (de Hongaarse rapsodieën van Liszt, Rhapsody in Blue van Gershwin).
Rinforzando (rf, rfz)
“Versterkend”: een plotse versterking van enkele noten of een korte frase, minder puntig dan een sforzando.
Risoluto
“Vastberaden”: stevig en beslist, met duidelijke aanslagen. Deciso betekent ongeveer hetzelfde.
Ritardando
Geleidelijk vertragen. De afkorting rit. staat meestal voor ritardando, maar kan ook ritenuto betekenen (een onmiddellijke vertraging): de context beslist.
Ritenuto
“Ingehouden”: een onmiddellijke (niet geleidelijke) vertraging, die blijft tot het tempo terugkeert.
Romance
Een lyrisch instrumentaal stuk in liedstijl, met een eenvoudige, tedere melodie. Mendelssohn maakte een nauw verwant genre populair, het “Lied zonder woorden” (Lied ohne Worte).
Ronde
De hele noot: een open nootkop zonder stok. Gelijk aan 2 halve noten of 4 kwartnoten, dus 4 tellen in 4/4.
Rondo
Een vorm waarin een refrein (A) telkens terugkeert tussen contrasterende tussenspelen: A-B-A-C-A of A-B-A-C-A-B-A. Vaak de finale van een sonate, meestal vrolijk (het “Rondo alla turca” van Mozart).
Rubato
“Gestolen tijd”: expressieve vrijheid in het tempo, door bepaalde noten in te houden of te versnellen om de frase vorm te geven. Bij Chopin blijft de linkerhand vaak stabiel terwijl de melodie meebuigt.
Rythme pointé
Gepunteerd ritme: een lange gepunteerde noot gevolgd door een korte (bijvoorbeeld gepunteerde achtste en zestiende), wat een huppelend of statig gevoel geeft. Niet hetzelfde als swing.
Rythmique (strumming)
Aanslaan (strummen): akkoorden naar beneden of naar boven aanslaan met een plectrum of de vingers. In bladmuziek betekent ⊓ (of ↓) een neerslag, V (of ↑) een opslag.
Sarabande
Een trage, plechtige dans in driedelige maat, het expressieve hart van de barokke suite, met een typische nadruk op tel 2.
Scherzando
“Schertsend”: licht, speels en ondeugend.
Scherzo
“Grap”: een snel, levendig deel in driedelige maat dat bij Beethoven het menuet vervangt, met een trio in het midden. Chopin maakte er grote, dramatische zelfstandige stukken van.
Segno
Het teken 𝄋 (een doorgestreepte S tussen twee punten) dat de plaats aanduidt waarnaar je terugkeert bij een “dal segno”.
Semplice
“Eenvoudig”: speel natuurlijk, zonder gekunsteldheid of overdreven rubato.
Sempre
“Altijd”: ga op dezelfde manier door (sempre legato, sempre pp) tot iets anders wordt aangegeven.
Sensible
De leidtoon: de zevende trap, een halve toon onder de tonica (B in C-groot), die er naar boven toe “trekt”. In mineur moet je de 7e trap verhogen om hem te krijgen (Gis in a-klein).
Senza
“Zonder”: senza pedale = zonder pedaal; senza rit. = zonder te vertragen.
Senza misura
“Zonder maat”: een passage die vrij gespeeld wordt, zonder regelmatige tel, zoals een cadens of recitatief.
Septième de dominante
Het septiemakkoord op de 5e trap: een majeurdrieklank plus een kleine septiem (G-B-D-F in C-groot). De spanning ervan trekt sterk naar de tonica: de leidtoon stijgt, de septiem daalt.
Sforzando (sfz, sf)
“Forcerend”: een plots, sterk accent op één noot of akkoord, ten opzichte van de dynamiek eromheen. Sfp = sforzando, meteen gevolgd door piano.
Silence
Een rust: een teken dat tijd meet zonder klank. Elke nootwaarde heeft een bijbehorende rust: hele, halve, kwart-, achtste, zestiende rust.
Sillet
De topkam: een klein ingekeept stukje dat de snaren bovenaan de hals geleidt, waar de trillende lengte van de losse snaren begint; het zadel, op de brug, sluit ze af aan de kant van de klankkast.
Simile
“Op dezelfde manier”: blijf spelen zoals net aangegeven (zelfde articulatie, pedaalgebruik of vingerzetting) zonder dat alles uitgeschreven wordt.
Smorzando
“Dovend”: laat de klank helemaal uitsterven, soms ook met een vertraging.
Sonate
Een instrumentaal werk in meerdere delen (vaak drie of vier: snel, traag, menuet of scherzo, snel) voor een soloinstrument of een kleine bezetting. Het eerste deel staat meestal in sonatevorm.
Sonatine
Een kleine sonate, korter en eenvoudiger, vaak met een korte doorwerking. De sonatines van Clementi, Kuhlau en Diabelli zijn klassiekers in het muziekonderwijs.
Sostenuto
“Gedragen”: noten volledig aangehouden met een rijke, ononderbroken klank, vaak met een licht inhouden van het tempo.
Sotto voce
“Onder de stem”: binnensmonds, heel stil, alsof je iets toevertrouwt.
Soufflet
Een “vork”: een liggende V (< of >) onder de notenbalk. < = crescendo, > = decrescendo; beide samen (<>) laten de klank aanzwellen en weer afnemen.
Soupir
De kwartrust: een verticaal zigzagje, gelijk aan een kwartnoot.
Sous-dominante
De vierde trap van de toonladder (F in C-groot). Het subdominantakkoord (IV) beweegt zachtjes weg van de tonica en leidt vaak naar de dominant.
Staccatissimo
Heel los: zo kort mogelijk, aangeduid met een klein zwart wigje (of verticaal streepje) boven de noot.
Staccato
“Losgemaakt”: een noot die duidelijk korter gespeeld wordt dan haar geschreven waarde, aangeduid met een punt boven of onder het nootkopje. De stilte die volgt, hoort nog bij de waarde van de noot: de tel wordt niet ingekort.
Stretto
Als tempoaanduiding: sneller, aanspannend (vaak tegen het einde). In een fuga betekent stretto iets anders: de stemmen komen kort na elkaar in, elk begint aan het thema voordat de vorige het heeft afgemaakt.
Stringendo
“Aanspannend”: vooruitdringen met toenemende spanning. Dicht bij accelerando, maar dringender.
Subito
“Plotseling”: de verandering gebeurt in één keer, zonder overgang (p subito = plots zacht, vaak vlak na een luide passage).
Suite
Een reeks stukken in dezelfde toonsoort. De barokke suite volgt meestal allemande, courante, sarabande en gigue, vaak geopend door een prelude, met optionele dansen (menuet, gavotte, bourrée).
Swing
In jazz en blues worden achtste noten die gelijk genoteerd staan ongelijk gespeeld, lang-kort, ongeveer als een triool-kwartnoot en -achtste. De exacte verhouding hangt af van tempo en stijl.
Symbole d'accord (grille)
Akkoordsymbolen: akkoorden als letters boven de melodie: Am = a-klein, G7 = G-septiem, C/E = C-groot met E in de bas. Een akkoordenschema geeft de opeenvolging van akkoorden van een lied.
Syncope
Syncope: een noot die op een zwakke tel (of een zwak deel van een tel) wordt aangeslagen en over de volgende sterke tel wordt aangehouden, waardoor het natuurlijke accent verschuift en er een gevoel van onevenwicht ontstaat.
Système (grande portée)
De dubbele notenbalk (accolade): voor piano twee notenbalken verbonden door een accolade, met de g-sleutel bovenaan (meestal rechterhand) en de f-sleutel onderaan (meestal linkerhand). De middelste C ligt ertussen.
Tablature
Gitaartabulatuur: zes lijnen stellen de snaren voor (de bovenste lijn is de hoogste snaar, E), en elk cijfer geeft de fret aan die je indrukt (0 = losse snaar). Ze toont waar je speelt, maar vaak niet het ritme.
Tarentelle
Een heel snelle volksdans uit Zuid-Italië in 6/8, met wervelende triolen.
Tempo
De snelheid van de puls van een stuk, vaak uitgedrukt in slagen per minuut (BPM). Italiaanse aanduidingen (adagio, allegro…) beschrijven eerder een karakter dan een exacte waarde: de BPM-bereiken in deze woordenlijst zijn alleen een richtlijn en verschillen per periode, uitgave en uitvoerder.
Tempo primo
Terug naar het eerste tempo van het stuk na een sectie in een ander tempo.
Temps fort, temps faible
Sterke en zwakke tellen: binnen een maat worden sommige tellen vanzelf benadrukt. In 4/4: tel 1 sterk, tel 3 halfsterk, tellen 2 en 4 zwak. In 3/4: sterk, zwak, zwak.
Tenuto
“Aangehouden”: houd de noot haar volle waarde aan, met een lichte nadruk. Aangegeven met een kort horizontaal streepje boven of onder de noot.
Thème et variations
Een thema wordt eenvoudig voorgesteld en daarna meermaals herhaald in getransformeerde versies (versieringen, ritme, modus, tempo), terwijl de structuur en harmonie herkenbaar blijven (de variaties van Mozart op “Ah, vous dirai-je, maman”, de melodie van “Altijd is Kortjakje ziek”).
Toccata
Van toccare, “aanraken”: een virtuoos klavierstuk vol snelle loopjes, akkoorden en herhaalde noten dat de behendigheid van de uitvoerder toont (Bach, Schumann, Prokofjev).
Tonalité
De toonsoort: de ordening van noten en akkoorden rond een thuisnoot, de tonica, in majeur of mineur: “G-groot”, “d-klein”. De voortekening geeft een eerste aanwijzing.
Tonique
De eerste trap van de toonladder, die de toonsoort zijn naam geeft: het rustpunt waarnaar de muziek wil terugkeren. Het tonica-akkoord (I) sluit de meeste stukken af.
Tons relatifs
Een majeur- en een mineurtoonsoort met dezelfde voortekening. De parallelle mineurtoonsoort ligt een kleine terts onder de majeurtonica: C-groot en a-klein, G-groot en e-klein.
Tranquillo
“Rustig”: kalm en vredig, zonder spanning. Calmo betekent hetzelfde.
Transposition
Een heel stuk in een andere toonsoort spelen of herschrijven, door elke noot met hetzelfde interval te verschuiven: de melodie blijft dezelfde, alleen de toonhoogte verandert.
Tre corde
“Drie snaren”: laat het una-cordapedaal los en keer terug naar de normale klank.
Trémolo
Heel snelle herhaling van één noot, of snelle afwisseling tussen twee noten of akkoorden. Aangeduid met schuine streepjes door de stok of tussen de noten.
Triade (accord parfait)
Een drieklank: drie noten in tertsen gestapeld, grondtoon, terts en kwint (C-E-G). Afhankelijk van de grootte van de tertsen is hij groot (majeur), klein (mineur), verminderd of overmatig.
Trille
De triller (“tr”): snelle afwisseling tussen de genoteerde noot en de noot er net boven in de toonladder. In barokmuziek begint hij meestal op de bovenste noot; vanaf de 19e eeuw meestal op de genoteerde noot.
Trio
Het contrasterende middendeel van een menuet, scherzo of mars, vaak rustiger, waarna het eerste deel terugkeert. De naam komt van de oude gewoonte om het voor drie instrumenten te schrijven. Ook een groep van drie spelers.
Triolet
Een triool: drie noten gespeeld in de tijd van twee van dezelfde waarde, aangeduid met een “3”. Drie triool-achtsten vullen één kwartnoot. Zo ook sextolen (6), kwintolen (5), duolen (2 in de tijd van 3)…
Triple croche
De tweeëndertigste noot: drie vlaggen of waardestrepen, de helft van een zestiende, acht per kwartnoot.
Una corda
“Eén snaar”: het linkerpedaal (zachte pedaal). Op een vleugel verschuift het het mechaniek zodat de hamers minder snaren raken, wat een zachtere, gesluierde klank geeft. Op een piano brengt het de hamers dichter bij de snaren, wat vooral het volume vermindert.
Valse
Een wals: een draaiende dans in driedelige maat, ontstaan in het 18e-eeuwse Oostenrijk en Duitsland, koningin van de 19e-eeuwse balzalen. Op piano speelt de linkerhand typisch een basnoot op tel 1 en een akkoord op tel 2 en 3.
Vibrato
Een lichte, regelmatige schommeling van de toonhoogte van een aangehouden noot, die haar levendiger maakt. Op gitaar wiegt de vinger langs de snaar (klassiek) of maakt hij kleine bendings (elektrisch). De piano kan dit niet.
Vivace
Levendig en kwiek, sneller dan allegro. Vivo betekent ongeveer hetzelfde.