Swinggevoel en ongelijke achtsten
Muziektheorie · Het ritme · Niveau 4 · 9 min
In jazz, blues en veel Amerikaanse populaire muziek worden achtsten die gelijk genoteerd staan niet gelijk gespeeld: de eerste is langer, de tweede korter en lichter. Dat is swing. Het wordt bovenaan de bladmuziek aangeduid met „Swing”, „Shuffle” of met het symbool ♫ = een triool ♩ ♪.
Genoteerd… en gespeeld
Dit is wat er genoteerd staat:
M:4/4 L:1/8 Q:1/4=120 K:C CDEF GABc | c2 BA G4 |]
En dit is ongeveer wat een jazzmuzikant speelt: elk paar achtsten wordt een triool „kwartnoot + achtste” (een verhouding van 2:1).
M:4/4 L:1/8 Q:1/4=120 K:C (3:2:2C2D (3:2:2E2F (3:2:2G2A (3:2:2B2c | c2 (3:2:2B2A G4 |]
In werkelijkheid hangt de verhouding af van tempo en stijl: heel „hard” (bijna 3:1) in een bluesshuffle, bijna gelijk in heel snelle jazz. Swing draait ook om accenten: de achtsten op de tegentijd worden licht beklemtoond, en de drums markeren de tellen 2 en 4 (de backbeat). Knip met je vingers op 2 en 4, nooit op 1 en 3!
Een swingende bluesriff
M:4/4 L:1/8 Q:1/4=100 K:C "C7"(3:2:2C2E (3:2:2G2A (3:2:2_B2A (3:2:2G2E | "C7"(3:2:2G2G (3:2:2_E2=E C4 |]
← Onregelmatige maatsoorten: 5/4, 7/8 en verder · Hele en halve tonen →