Drieklanken bouwen op het toetsenbord
Muziektheorie · Akkoorden · Niveau 2 · 12 min
Weten wat een drieklank is, volstaat niet: een pianist moet elk akkoord in een fractie van een seconde kunnen vinden. Hier zijn drie methodes die elkaar aanvullen.
1. Vanuit de toonladder
Neem de majeurtoonladder van de grondtoon en hou trap 1, 3 en 5 over. D-groot: toonladder D–E–Fis–G–A → D–Fis–A. Voor het mineurakkoord verlaag je de terts een halve toon: D–F–A.
2. Met halve tonen
Majeur = 4 + 3, mineur = 3 + 4. Tel de toetsen (witte en zwarte): vanaf E kom je 4 halve tonen hoger op Gis, en nog 3 verder op B. E-groot = E–Gis–B.
3. Met „vormen” (de methode van de pianist)
De twaalf majeurakkoorden vallen in een paar visuele families. Leer ze als handvormen:
| Vorm | Majeurakkoorden |
|---|---|
| Wit – wit – wit | C, F, G |
| Wit – zwart – wit | D (D–F♯–A), E (E–G♯–B), A (A–C♯–E) |
| Zwart – wit – zwart | D♭ (D♭–F–A♭), E♭ (E♭–G–B♭), A♭ (A♭–C–E♭) |
| Zwart – zwart – zwart | G♭ / F♯ (F♯–A♯–C♯) |
| Bijzondere gevallen | B (B–D♯–F♯), B♭ (B♭–D–F) |
Om naar mineur te gaan, schuif je gewoon de middelste vinger één toets naar links: de vorm wit-zwart-wit van D-groot wordt wit-wit-wit voor d-klein.
Luister naar D-groot gebroken en vergelijk met het toetsenbord:
Drieklanken op de witte toetsen
Bouw je op elke noot van de toonladder van C-groot een drieklank en blijf je op de witte toetsen, dan krijg je altijd dezelfde reeks soorten: majeur, mineur, mineur, majeur, majeur, mineur, verminderd. We komen hier uitgebreid op terug in het hoofdstuk over harmonie.
M:4/4 L:1/4 K:C "C"[CEG] "Dm"[DFA] "Em"[EGB] "F"[FAc] | "G"[GBd] "Am"[Ace] "Bdim"[Bdf] "C"[ceg] |]
Oefening: speel de 12 majeurakkoorden in de volgorde van de kwintencirkel (C, G, D, A, E, B, Fis, Des, As, Es, Bes, F), en daarna de 12 mineurakkoorden.