De barok (ca. 1600–1750)
Muziekgeschiedenis · De piano door de geschiedenis · Niveau 3 · 15 min
Het woord „barok” (van een Portugees woord voor een onregelmatige parel) beschrijft een tijdperk van pracht, contrast en versiering. Voor het klavier is het de gouden eeuw van klavecimbel en orgel, en een onuitputtelijke schatkamer voor de pianist.
Kenmerken
- Basso continuo: een becijferde baslijn waarboven akkoorden geïmproviseerd worden.
- Contrapunt: meerdere zelfstandige stemmen, imitatie, fuga's.
- Eén affect per stuk: een barokstuk drukt meestal één karakter uit (vreugde, verdriet, majesteit…), gedragen door een constant ritmisch patroon.
- Terrasdynamiek: contrasten in vlakken (luid / zacht) in plaats van geleidelijke crescendo's.
- Dansen: allemande, courante, sarabande, gigue, menuet, gavotte, bourrée, gebundeld in suites.
- Overvloedige versieringen, deels geïmproviseerd.
Componisten en werken om te beluisteren
| Componist | Klavierwerken |
|---|---|
| Johann Sebastian Bach (1685-1750) | Notenbüchlein voor Anna Magdalena Bach, Inventies, Das wohltemperierte Klavier, Franse suites, Goldbergvariaties |
| Georg Friedrich Händel (1685-1759) | Klavecimbelsuites („The Harmonious Blacksmith”) |
| Domenico Scarlatti (1685-1757) | 555 sonates vol virtuositeit en Spaanse kleur |
| François Couperin (1668-1733) | Pièces de clavecin („Les Barricades mystérieuses”), het traktaat L'Art de toucher le clavecin |
| Jean-Philippe Rameau (1683-1764) | „Le Rappel des oiseaux”, „Les Sauvages”, „La Poule” |
In stijl spelen
Versieringen zijn het handelsmerk van de stijl. De twee gangbaarste:
- de triller: snelle afwisseling met de bovenliggende noot, die meestal op de bovenste noot begint, op de tel;
- de mordent: hoofdnoot, onderliggende noot, hoofdnoot, heel snel.
M:3/4 L:1/4 K:G d !mordent!B G | !trill!A2 G |]
Wat zo genoteerd staat, speel je ongeveer zo:
M:3/4 L:1/16 K:G d4 B A B2 G4 | B A B A B A B A G4 |]
- Articulatie: zonder pedaal maak je snelle stapsgewijze noten licht los en verbind je expressieve noten per twee. Begeleidende achtste noten worden vaak los gespeeld.
- Pedaal: heel weinig of geen; het legato komt uit de vingers.
- Tempo: stabiel, dansant; vertraag alleen bij de slotcadensen.
- Notes inégales: in Franse muziek worden gelijk genoteerde achtste noten vaak licht ongelijk gespeeld (lang-kort).
Luister naar opnames op historische instrumenten (klavecimbel, clavichord) voor je op de piano speelt: je voelt articulatie en versieringen dan instinctief aan.
Veelgemaakte fout: Bach spelen „zoals Chopin”, met veel pedaal en rubato. Dat vertroebelt het contrapunt. Barokke expressie komt via ritme, articulatie en harmonie.
← Van oude klavierinstrumenten tot de moderne piano · Het classicisme (ca. 1750–1820) →