De klassieke stijl: helderheid en evenwicht
Muziekgeschiedenis · Het classicisme · Niveau 2 · 14 min
Halverwege de 18e eeuw beleefde Europa de Verlichting. Filosofen roemden de rede, de natuur en de eenvoud; alles wat ingewikkeld of gekunsteld was, werd met argwaan bekeken. De muziek volgde: in plaats van de geleerde fuga's en weelderige versieringen van de barok verkoos de nieuwe generatie natuurlijke, elegante muziek die een liefhebber bij de eerste beluistering kon vatten. Deze periode zou later het classicisme heten (ruwweg 1750–1820), en de drie grote namen ervan, Haydn, Mozart en Beethoven, de „Weense klassieken”.
Van de galante stijl naar de klassieke stijl
De verandering begon al in de jaren 1720 en 1730 met de galante stijl: aangename melodieën, lichte begeleiding, korte frasen. Je vindt hem bij de Italianen (Pergolesi, Sammartini) en bij de zonen van Bach, vooral Johann Christian, die zich in Londen vestigde en die de jonge Mozart ontmoette en bewonderde. Carl Philipp Emanuel Bach voegde er een dosis emotie, verrassingen en plotselinge contrasten aan toe: de Empfindsamkeit, de „gevoelige stijl”.
Melodie en begeleiding
De gelijkwaardigheid van de stemmen was voorbij: de melodie kwam op de voorgrond, bovenaan, en al het andere begeleidde haar. De bas liep niet meer voortdurend door; hij bleef op enkele noten rusten, en akkoorden werden uitgespeld met een regelmatig patroon in de linkerhand of de strijkers. De continuo verdween geleidelijk: de componist schreef voortaan elke noot uit.
Frasen werden regelmatig en symmetrisch, vaak vier maten lang: een eerste frase stelt een „vraag” die in spanning blijft hangen, een tweede „antwoordt” met een afsluiting. Luister naar deze Franse melodie, in de 18e eeuw erg in de mode, waarop Mozart twaalf variaties schreef (in het Nederlands kennen we ze als Altijd is Kortjakje ziek). De eerste vier maten blijven hangen op G; de volgende vier sluiten af op C:
M:4/4 L:1/4 Q:1/4=100 K:C "^question"C C G G | A A G2 | "^answer"F F E E | D D C2 |]
De sonatevorm
Hoe bouw je een lang werk zonder fuga of tekst? De klassieke componisten ontwikkelden een architectuur die de instrumentale muziek meer dan een eeuw zou beheersen, de sonatevorm:
- Expositie: een eerste thema in de hoofdtoonsoort, dan, na een overgang, een tweede thema met een ander karakter in een verwante toonsoort (vaak de dominant).
- Doorwerking: de thema's worden opgebroken, getransformeerd, door verre toonsoorten gevoerd. Dit is het moment van spanning en drama.
- Reprise: beide thema's keren terug, dit keer allebei in de hoofdtoonsoort. Het conflict is opgelost.
Deze vorm is een echt verhaal: personages worden voorgesteld, met elkaar geconfronteerd, en het verhaal loopt af. Je vindt hem in het eerste deel van bijna elke sonate, symfonie, elk kwartet en concert uit die tijd.
De grote genres
- De symfonie: een groot werk voor orkest, meestal in vier delen (snel, in sonatevorm; langzaam; menuet en trio; snelle finale).
- Het strijkkwartet (twee violen, altviool, cello): „vier verstandige mensen die met elkaar praten”, in een uitspraak die vaak aan Goethe wordt toegeschreven. Het is het meest verfijnde genre van de kamermuziek.
- De sonate voor piano solo, of voor piano en viool: het dagelijks brood van liefhebbers.
- Het concerto voor solist, dat de drie delen van de barok behoudt maar de sonatevorm overneemt.
Het orkest en het openbare concert
Het orkest kreeg een vaste vorm: een kern van strijkers, houtblazers en hoorns in paren, soms trompetten en pauken; de klarinet, een nieuw instrument, vond haar plaats. In Mannheim verbaasde het orkest van de keurvorst, onder leiding van Johann Stamitz, Europa met zijn discipline en effecten, vooral het gezamenlijke crescendo, een geleidelijke toename van het volume die het publiek volgens de overlevering van zijn stoelen deed opveren.
Bovenal verliet de muziek de paleizen. Er werden openbare concerten met betaalde toegang georganiseerd: het Concert Spirituel in Parijs (vanaf 1725), de concerten van Johann Christian Bach en Carl Friedrich Abel in Londen. Een publiek van burgerlijke liefhebbers kocht partituren en speelde thuis, en de fortepiano, die alleen al door de aanslag dynamiek kon maken, verving geleidelijk het klavecimbel in de salons. De les Het classicisme (ca. 1750–1820) in het laatste hoofdstuk laat zien hoe je dit repertoire op de piano speelt.
In de opera leidde Gluck een „hervorming” (Orfeo ed Euridice, Wenen, 1762): minder overbodige virtuositeit, meer dramatische waarheid en eenvoud.
Waar let je op?
- Een heldere melodie boven een lichte begeleiding.
- Symmetrische frasen, vaak in vieren of achten, met duidelijke cadensen.
- Geleidelijke dynamiek: crescendo's, diminuendo's, plotselinge accenten (sforzando).
- Eenvoudige harmonie, rond tonica en dominant, en wisselingen van karakter binnen één deel.
Luisteren
- Carl Philipp Emanuel Bach: een klaviersonate of een strijkerssymfonie.
- Johann Christian Bach: een klavierconcert.
- Gluck: Orfeo ed Euridice, de „Dans van de gelukzalige geesten”.
- Haydn: een kwartet uit op. 76; Mozart: de pianosonate KV 545.